HAARLEM â De oprichter van een internationale transport- en logistiekbedrijf krijgt zijn bestuursfuncties binnen het familiebedrijf voorlopig niet terug. Dat blijkt uit een op 20 oktober 2026 gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Volgens De Telegraaf en RTL Nieuws gaat de geanonimiseerde rechtszaak over transportbedrijf Pieter Smit uit Nieuw-Vennep, dat gespecialiseerd is in logistiek voor de entertainment- en evenementensector. De oprichter had zijn aandelen in 2024 aan zijn dochter en zoon geschonken, maar raakte vervolgens met hen verwikkeld in een hoogoplopend conflict over de zeggenschap en bedrijfsvoering.
Het transportbedrijf werd in 1980 opgericht en groeide uit tot een internationale onderneming met vestigingen in Nederland, BelgiÃĢ, Frankrijk, Duitsland, Polen en Portugal. Pieter Smit verzorgt gespecialiseerde logistiek voor onder meer de entertainment- en evenementensector.
In 2019 begon Pieter Smit, destijds 64 jaar oud, met de voorbereidingen voor de overdracht van zijn onderneming aan zijn kinderen. Hij wilde geleidelijk minder gaan werken en de continuïteit van het familiebedrijf veiligstellen.
Aandelen geschonken aan kinderen
Na een jarenlang voorbereidingstraject schonk de oprichter in mei 2024 zijn aandelen in gelijke delen aan zijn dochter en zoon. Daarbij werd gebruikgemaakt van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), die onder voorwaarden fiscale voordelen biedt bij de overdracht van familiebedrijven.
De aandelen kwamen onder beheer van een stichting administratiekantoor (STAK). De vader en zijn twee kinderen vormden gezamenlijk het bestuur van deze stichting. De dochter kreeg samen met de financieel directeur de leiding over de holdingmaatschappij. De zoon was binnen de onderneming werkzaam als fleetmanager.
De oprichter zou zich voortaan vooral bezighouden met advisering, commerciÃĢle contacten, vastgoed en bepaalde werkzaamheden rond het wagenpark.
Volgens de oprichter was het echter nooit zijn bedoeling geweest om de beslissende zeggenschap over zijn levenswerk volledig uit handen te geven. Hij stelde dat hij ervan was uitgegaan dat hij na de schenking het laatste woord zou behouden.
Conflicten over vrachtwagens en aanhangwagens
In de loop van 2025 verslechterde de verhouding tussen de oprichter, zijn dochter en de financieel directeur. De conflicten hadden onder meer betrekking op de aankoop en verkoop van voertuigen, contacten met leveranciers, personeelszaken en de dagelijkse bedrijfsvoering.
Zo ontstond discussie over een door de oprichter gepland bezoek aan een handelaar in Spanje. Zijn dochter stelde dat hij zonder opdracht of toestemming het initiatief had genomen om tien nieuwe aanhangwagens te kopen.
In een e-mail wees zij daarbij op de financiÃĢle situatie van de onderneming. Volgens haar bedroeg de bezettingsgraad van het materieel op dat moment 38 procent, liep de winstgevendheid terug en stond de liquiditeit onder druk.
Ook waren volgens haar eerder dertig nieuwe platte aanhangwagens aangeschaft, terwijl de inzetmogelijkheden daarvan beperkt waren. Daarnaast zou de oprichter bestelwagens hebben gekocht die niet geschikt waren voor de verhuurvloot.
De oprichter bestreed dat hij zonder overleg handelde en uitte op zijn beurt kritiek op de kennis en beslissingen van de nieuwe directie.
Raad van advies waarschuwde
De raad van advies maakte zich in 2025 steeds meer zorgen over de samenwerking. Volgens de adviseurs bemoeide de oprichter zich met zaken waarvoor hij niet langer verantwoordelijk was.
Daarbij werd gewezen op het zelfstandig benaderen van klanten en leveranciers, het aangaan van mogelijke financiÃĢle verplichtingen en het geven van aanwijzingen aan medewerkers.
De raad adviseerde de directie uiteindelijk om de oprichter volledig uit de zakelijke activiteiten terug te laten treden. Ook werd geadviseerd hem alleen nog op uitnodiging toegang te geven tot bedrijfslocaties.
De oprichter voelde zich naar eigen zeggen buitengesloten en vond dat zijn kennis en ervaring onvoldoende werden benut. Volgens hem waren de afspraken over zijn nieuwe rol niet duidelijk genoeg vastgelegd.
Incident op hoofdkantoor
De spanningen liepen verder op na een incident op 12 mei 2026. De oprichter verscheen toen onaangekondigd op het hoofdkantoor, samen met een medewerker die kort daarvoor op non-actief was gesteld.
Volgens de vaststellingen in het vonnis verzocht hij twee medewerkers zijn voormalige werkkamer te verlaten, waarna hij op luide toon kritiek uitte op zijn dochter en de financieel directeur.
Ook ontstond een woordenwisseling in de kantine. Toen zijn dochter hem vroeg te vertrekken, weigerde hij dat en zei hij dat zij moest ‘oprotten’.
Het incident vormde voor zijn dochter en zoon de directe aanleiding om zijn ontslag als bestuurder van de STAK voor te stellen.
Op 26 mei 2026 stemden beide kinderen tijdens een bestuursvergadering voor zijn onmiddellijke ontslag. De oprichter was zelf niet aanwezig, omdat hij naar Portugal was gereisd. Zijn advocaat mocht de vergadering wel als toehoorder bijwonen en zijn standpunt toelichten.
Oprichter stapt naar rechter
De oprichter vocht zijn ontslag aan bij de rechtbank Noord-Holland. Hij stelde dat het besluit zowel procedureel als inhoudelijk gebrekkig was en dat onvoldoende gewichtige redenen bestonden om hem te ontslaan.
Daarnaast wilde hij opnieuw als statutair bestuurder van de holding worden erkend. Volgens hem was hij nooit rechtsgeldig uit die functie ontslagen of zelf formeel afgetreden.
De voorzieningenrechter volgt hem daarin niet. Hoewel geen formeel ontslagbesluit van de aandeelhoudersvergadering of ondubbelzinnige ontslagname is aangetoond, blijkt volgens de rechter uit de afspraken en gedragingen van betrokkenen voldoende dat de oprichter zijn bestuursfunctie bij de holding had beÃĢindigd.
Ook het ontslag als STAK-bestuurder wordt in dit kort geding niet teruggedraaid.
Belang onderneming weegt zwaarder
De rechtbank erkent dat de bedrijfsopvolging niet op alle punten zorgvuldig en duidelijk is verlopen. Zo waren de taken en bevoegdheden van de raad van advies onvoldoende vastgelegd en bestond onduidelijkheid over de operationele betrokkenheid van de oprichter.
Ook sluit de rechter niet uit dat de oprichter bij de overdracht onvoldoende heeft beseft welke gevolgen de nieuwe zeggenschapsstructuur voor zijn positie zou hebben.
Toch weegt het belang van de onderneming zwaarder. Volgens de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat de oprichter zich bij een terugkeer aan de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling zal kunnen houden.
De rechter wijst erop dat het transportbedrijf binnen een werkbare bestuursstructuur verder moet kunnen functioneren. Een terugkeer van de oprichter zou opnieuw tot ernstige spanningen kunnen leiden.
De kinderen en de overige gedaagden hadden bovendien gewaarschuwd dat medewerkers mogelijk zouden vertrekken als de oprichter terugkeerde. De rechtbank kan niet vaststellen of dat daadwerkelijk op grote schaal zou gebeuren, maar acht de zorgen niet ongegrond.
De voorzieningenrechter verwacht dat het ontslagbesluit in een eventuele bodemprocedure stand zal houden.
Nieuwe onderneming in voorbereiding
Uit het vonnis blijkt verder dat de oprichter inmiddels bezig is met het opzetten van een nieuwe onderneming.
Hij heeft niet weersproken dat hij bereid is voormalige en huidige medewerkers van het familiebedrijf in dienst te nemen en klanten van het transportbedrijf te bedienen wanneer zij daarvoor kiezen.
De huidige directie wil daarom voorkomen dat bedrijfsgevoelige informatie bij een mogelijke concurrent terechtkomt.
Dat speelt ook een rol bij een ander onderdeel van de rechtszaak: de toegang tot het voormalige zakelijke e-mailaccount van de oprichter.
Gerechtsdeurwaarder moet e-mails veiligstellen
Na zijn ontslag werd de toegang tot zijn zakelijke e-mailadres geblokkeerd. De oprichter gebruikte dit account ook voor privÊzaken en wil daarnaast beschikken over correspondentie die van belang kan zijn voor mogelijke juridische procedures.
Hij overweegt onder meer een bodemprocedure om de schenking van zijn aandelen wegens dwaling te laten vernietigen. Ook wil hij zijn positie bepalen bij mogelijke vorderingen over provisie- en managementvergoedingen.
De rechtbank heeft bepaald dat het transportbedrijf moet meewerken aan het maken van een volledige, doorzoekbare kopie van het e-mailaccount door of namens een gerechtsdeurwaarder.
De oprichter krijgt echter niet automatisch toegang tot alle berichten. Met vooraf vastgestelde zoektermen moet een selectie worden gemaakt van relevante privÊberichten en correspondentie die betrekking heeft op zijn mogelijke vorderingen.
Totdat de kopie is gemaakt, mag het bedrijf geen gegevens uit het account verwijderen, wijzigen of ontoegankelijk maken.
Partijen moeten uiterlijk 6 november 2026 aan de rechtbank laten weten of zij overeenstemming hebben bereikt over de zoektermen. De rechter houdt de verdere beslissing over dit onderdeel aan.
De uitspraak is gedaan op 16 oktober 2026 en gepubliceerd op 20 oktober 2026.







