ENSCHEDE – De rechtbank Overijssel moet bepalen of een chauffeur die jarenlang via een personeelsbedrijf bij hetzelfde transportbedrijf werkte, in dienst was op basis van een uitzendovereenkomst of feitelijk onder een payrollconstructie viel. Die kwalificatie kan gevolgen hebben voor zijn arbeidsvoorwaarden en pensioen. Dat blijkt uit een op 29 september gepubliceerde uitspraak. De rechter heeft nog geen definitieve beslissing genomen en verlangt eerst aanvullende stukken.
De chauffeur trad op 15 november 2021 in dienst bij het personeelsbedrijf. In zijn arbeidsovereenkomst stond dat hij ter beschikking zou worden gesteld aan één of meerdere inleners en dat de NBBU-cao van toepassing was. De arbeidsovereenkomst werd daarna vijf keer verlengd.
In de praktijk werkte de chauffeur vanaf het begin steeds voor hetzelfde bedrijf.
Op 8 januari 2024 viel hij uit voor zijn werkzaamheden als chauffeur. Met ingang van 5 januari 2026 kreeg hij een WIA-uitkering. Uit de eindevaluatie van september 2025 blijkt dat hij gedurende vijf jaar niet beroepsmatig mag rijden. Hij moet worden begeleid naar ander werk waarbij beroepsmatig chaufferen niet nodig is.
Discussie over cao
In 2024 ontstond een geschil over de vraag welke arbeidsvoorwaarden op de chauffeur van toepassing waren. Volgens de werknemer was geen sprake van een reguliere uitzendovereenkomst, maar van een payrollovereenkomst.
Hij stelde daarom onder meer dat hij aanspraak kon maken op arbeidsvoorwaarden uit de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen.
Partijen kregen daarnaast discussie over de juiste loonschaal. In juni 2025 werd een schikking bereikt over het achterstallige loon over de jaren 2021 tot en met 2023. Het ging om een brutobedrag van 8.723,60 euro.
Dat bedrag was ten tijde van de procedure nog niet uitbetaald vanwege een geschil over de pensioenafdracht.
Pensioenfonds Vervoer of StiPP
De chauffeur stelde dat voor hem pensioenpremie had moeten worden afgedragen aan Pensioenfonds Vervoer. Het personeelsbedrijf stelde daartegenover dat het verplicht is aangesloten bij pensioenfonds StiPP en dat voor de chauffeur gedurende zijn dienstverband ook bij StiPP pensioen is opgebouwd.
Ook dit geschil hangt volgens de kantonrechter samen met de vraag of sprake is van een uitzend- of payrollovereenkomst.
Bij een uitzendovereenkomst heeft de chauffeur volgens de rechtbank niet méér recht dan pensioenopbouw via StiPP. Wanneer sprake blijkt te zijn van payroll, heeft hij recht op een zogenoemde adequate pensioenregeling.
Dat betekent volgens de rechter echter niet automatisch dat hij onder de pensioenregeling van Pensioenfonds Vervoer moet vallen.
Wie heeft chauffeur geworven?
Een belangrijk punt in de zaak is wie de chauffeur daadwerkelijk heeft geworven en geselecteerd.
Volgens de chauffeur werd hij door het transportbedrijf waarvoor hij uiteindelijk ging rijden benaderd en na een sollicitatie aangenomen. Het transportbedrijf wilde volgens hem niet rechtstreeks een arbeidsovereenkomst aangaan en zou hebben aangegeven dat alles via een payrollorganisatie werd geregeld.
Het personeelsbedrijf geeft een andere lezing. Volgens dat bedrijf ontstond de situatie nadat een bestaande rit of route van een ander transportbedrijf moest worden overgenomen.
De chauffeur reed die route al voor zijn toenmalige werkgever. Via het netwerk van het personeelsbedrijf werd een nieuwe vervoerder gevonden die de rit wilde overnemen. Omdat de chauffeur de route al reed, kwam hij daarbij in beeld.
Volgens het personeelsbedrijf heeft het daarmee daadwerkelijk vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar gebracht, wat een aanwijzing kan zijn voor een uitzendconstructie.
Rechter wil overeenkomst zien
De kantonrechter stelt vast dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst in ieder geval als uitzendovereenkomst kan worden aangemerkt. De vraag is echter of deze overeenkomst meer specifiek als payrollovereenkomst moet worden gekwalificeerd.
Daarvoor is onder meer van belang of het personeelsbedrijf daadwerkelijk een rol heeft gespeeld bij het samenbrengen van de chauffeur en het transportbedrijf en of de chauffeur zonder toestemming van de inlener ook bij andere bedrijven kon worden ingezet.
Volgens de rechtbank lijken enkele ingebrachte stukken de stelling van de chauffeur te ondersteunen dat de werving en selectie door de inlener is gedaan en niet door het personeelsbedrijf.
Tijdens de zitting bleek dat er een schriftelijke overeenkomst bestaat tussen het personeelsbedrijf en de inlener. De rechter heeft het personeelsbedrijf opgedragen deze overeenkomst in het geding te brengen.
Geen recht op aanvullende loondoorbetaling
Over een deel van de loonvordering heeft de kantonrechter al wel een oordeel gegeven.
De chauffeur stelde onder meer recht te hebben op een aanvulling van zijn loon tijdens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 16 van de cao Beroepsgoederenvervoer.
Voor verlenging van die aanvulling gedurende het tweede ziektejaar geldt onder meer als voorwaarde dat de werknemer meewerkt aan re-integratie én een aanvullende zorgverzekering heeft met dekking voor fysiotherapie, psychologische hulp en een diëtist. Een uitzondering geldt voor werknemers die blijvend volledig arbeidsongeschikt zijn.
De chauffeur erkende tijdens de zitting dat hij geen dergelijke aanvullende zorgverzekering had. Ook is volgens de rechtbank niet gebleken dat hij blijvend volledig arbeidsongeschikt is.
Daarom heeft hij geen recht op de betreffende aanvulling op zijn loon.
Achterstallig loon staat wel vast
Over het achterstallige salaris over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2023 bestaat tussen partijen geen discussie meer. Het gaat om een bedrag van 8.723,60 euro. Volgens de kantonrechter ligt deze vordering voor toewijzing gereed.
Ook zijn partijen het erover eens dat de chauffeur bij het einde van zijn dienstverband nog recht heeft op uitbetaling van 312,86 openstaande verlofuren.
Over andere loonvorderingen is nog geen definitieve beslissing genomen.
De rechter heeft het personeelsbedrijf opgedragen de overeenkomst met de inlener in het geding te brengen. Partijen krijgen vervolgens de gelegenheid daarop te reageren. Iedere verdere beslissing in de zaak is aangehouden.






