spot_imgspot_imgspot_imgspot_img
HomeTRANSPORTNIEUWSWegvervoerING mag bankrekeningen transportbedrijf beëindigen na vragen over betalingen aan onderaannemers

ING mag bankrekeningen transportbedrijf beëindigen na vragen over betalingen aan onderaannemers

AMSTERDAM – ING mag de bankrelatie met een transportbedrijf en zijn voormalige bestuurder beëindigen. De bank kon niet voldoende vaststellen welke werkzaamheden verschillende onderaannemers voor de onderneming hadden verricht en kon daardoor haar verplichte cliëntenonderzoek niet afronden. Volgens de rechtbank Amsterdam hoeft ING niet te bewijzen dat daadwerkelijk sprake is van witwassen om de bankrelaties te beëindigen. Dat blijkt uit een vandaag, donderdag 24 september 2026, gepubliceerde uitspraak in kort geding.

Het transportbedrijf verricht volgens de dagvaarding chauffeurs-, transport-, rangeer- en aanverwante logistieke werkzaamheden. ING stelde de onderneming in 2025 herhaaldelijk vragen over haar bedrijfsactiviteiten en betalingen aan onderaannemers. De bank deed dit in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft).

ING besloot op 25 september 2025 de bankrelaties met het bedrijf en de toenmalige bestuurder op te zeggen. Ook kondigde de bank aan hun gegevens voor zeven jaar op te nemen in haar interne verwijzingsregister. Na bezwaar handhaafde ING het besluit en stelde zij de beëindiging vast op 14 juli 2026. De bank zegde vervolgens toe de rekeningen open te houden totdat de rechter uitspraak zou doen in het kort geding.

ING kon werkzaamheden onderaannemers niet verifiëren

Het cliëntenonderzoek van ING richtte zich vooral op betalingen aan drie onderaannemers: Tribal Transport, Fast Transport en Allround B.V.

Volgens ING maakte het transportbedrijf tussen 29 november 2024 en 28 maart 2025 in totaal 141.452,03 euro over aan Tribal Transport. Voor die betalingen werd volgens de bank slechts één factuur overgelegd, waarop 116,5 uur tegen 65 euro per uur stond vermeld. Op de aanvankelijk aangeleverde urenspecificatie ontbraken onder meer de namen van medewerkers, een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden en de naam van de uiteindelijke opdrachtgever.

Het transportbedrijf verklaarde dat afspraken met Tribal Transport mondeling waren gemaakt. ING vond dat de aangeleverde e-mails alleen de ontvangst van facturen aantoonden en geen inzicht gaven in de werkzaamheden. Een later aangepaste urenspecificatie riep volgens de bank nieuwe vragen op: daaruit zou blijken dat één medewerker een werkweek van 102 uur had gemaakt. ING achtte dat niet geloofwaardig en stelde dat het bedrijf daarvoor geen sluitende verklaring had gegeven.

Ook betalingen aan de twee andere onderaannemers riepen vragen op. Volgens ING was tussen november 2023 en april 2024 64.614 euro overgemaakt aan Fast Transport en op 5 juli 2025 12.100 euro aan Allround B.V., zonder voldoende onderliggende facturen, administratie of correspondentie. ING wees er daarnaast op dat Fast Transport op 29 juli 2025 failliet was verklaard. Volgens de bank had de curator vastgesteld dat de activiteiten van die onderneming al in februari 2024 waren gestaakt en dat de financiële stukken gebrekkig waren.

Bank kon risico op cashcompensatiemodel niet uitsluiten

Door het ontbreken van verifieerbare informatie kon ING naar eigen zeggen niet uitsluiten dat sprake was van betrokkenheid bij een zogenoemd cashcompensatiemodel. Bij een dergelijk model kunnen criminele contante gelden via betalingen aan onderaannemers en andere tussenschakels worden omgezet in giraal geld. Daarbij kunnen facturen worden gebruikt voor werkzaamheden die niet of niet volledig zijn uitgevoerd.

Het transportbedrijf bestreed dat er concrete aanwijzingen waren voor betrokkenheid bij zo’n constructie. Volgens de onderneming waren wel degelijk documenten overgelegd waaruit bleek dat de werkzaamheden daadwerkelijk waren uitgevoerd, waaronder facturen, urenstaten en een samenwerkingsovereenkomst. Dat de bank nog vragen had, betekende volgens het bedrijf niet dat het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. De onderneming wilde desnoods meewerken aan een laatste, door de rechter afgebakende verificatieronde.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van ING. Volgens de rechtbank is de economische rechtvaardiging voor verschillende betalingen onvoldoende aangetoond. Daardoor moet rekening worden gehouden met een reëel risico dat is gefactureerd voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk niet hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt niet vast dat het transportbedrijf daadwerkelijk heeft witgewassen of bij een cashcompensatiemodel betrokken was. Wel oordeelt zij dat ING serieuze risico’s heeft vastgesteld die het bedrijf niet heeft weggenomen.

Geen recht op extra onderzoeksronde

Volgens de rechtbank is ING op grond van de Wwft verplicht een bankrelatie te beëindigen wanneer zij het cliëntenonderzoek niet kan voltooien. Daarvoor is niet vereist dat de bank concreet bewijs heeft dat een klant bij criminele activiteiten betrokken is.

De rechter vindt dat ING het transportbedrijf voldoende gelegenheid heeft gegeven om de ontbrekende informatie aan te leveren. De bank hoefde daarom niet nog een extra onderzoeksronde aan te bieden. Het verzoek van de onderneming om de bankrekeningen open te houden of een overgangsperiode toe te staan, is afgewezen. Daarbij woog ook mee dat het bedrijf en de voormalige bestuurder over alternatieve betaalrekeningen beschikken, bij respectievelijk Swan en ABN AMRO.

Ook de registraties van het transportbedrijf en de voormalige bestuurder in het interne verwijzingsregister van ING mogen volgens de voorzieningenrechter in stand blijven.

Transportbedrijf moet proceskosten betalen

De rechtbank heeft alle gevraagde voorzieningen geweigerd. Het transportbedrijf en de voormalige bestuurder moeten gezamenlijk de proceskosten van ING betalen, die zijn vastgesteld op 2.101 euro.

Transportrisico

Van der Lee

Hankook Tyres

MEER NIEUWS

Transportrisico

Van der Lee

Hankook Tyres