AMSTERDAM – ABN AMRO mag de bankrekeningen van een transport- en chemiebedrijf en de betrokken bestuurders beëindigen vanwege onvoldoende beheersbare risico’s op het omzeilen van sancties tegen Rusland. Dat heeft de rechtbank Amsterdam bepaald in een kort geding. Volgens de voorzieningenrechter is aannemelijk dat het bedrijf onvoldoende maatregelen neemt om te voorkomen dat de door het bedrijf verhandelde chemicaliën via andere landen alsnog in Rusland terechtkomen. De uitspraak van 18 september 2026 is dinsdag 22 september gepubliceerd.
De zaak draait om twee nauw met elkaar verbonden ondernemingen en een echtpaar dat de aandelen in de bedrijven houdt. De ondernemingen hebben sinds 2023 zakelijke bankrekeningen bij ABN AMRO. Het echtpaar heeft daarnaast privérekeningen bij de bank.
Een van de ondernemingen houdt zich bezig met bemiddeling in het goederenvervoer en de groothandel in chemische grondstoffen. De andere onderneming verzorgt goederenvervoer over de weg, bezit de vrachtwagens en containers die voor de transporten worden gebruikt en leent personeel uit aan de handelsmaatschappij.
Volgens de uitspraak is 75,5 procent van de creditomzet van de transportonderneming afkomstig van de handelsmaatschappij.
Transporten met tankcontainers van en naar Rusland
Tot begin 2025 bestonden de belangrijkste activiteiten van de handelsmaatschappij uit het verzorgen van transporten met tankcontainers van en naar Rusland.
Een belangrijke afnemer was een Russische onderneming. Ook een dochteronderneming daarvan in Kazachstan behoorde tot de belangrijkste klanten.
In de loop van 2025 verlegde het bedrijf zijn activiteiten steeds meer naar de distributie van chemische producten binnen Europa.
Het gaat onder meer om de stoffen TDI en pMDI. Deze chemicaliën worden voornamelijk gebruikt als grondstof voor de productie van verschillende soorten polyurethaanschuim, maar kunnen volgens de uitspraak ook worden toegepast als grondstof of bestanddeel voor raketbrandstof.
De levering van TDI en MDI aan Rusland valt sinds 20 juli 2025 onder Europese sancties.
Bank start onderzoek naar mogelijke sanctieomzeiling
Eind 2025 begon ABN AMRO een klantenonderzoek naar de ondernemingen. De bank stelde in drie rondes schriftelijke vragen over onder meer de handelsactiviteiten en mogelijke risico’s op overtreding of omzeiling van sancties tegen Rusland.
De bedrijven beantwoordden de vragen, maar verstrekten volgens de bank niet alle gevraagde documentatie.
Op 22 juni 2026 kondigde ABN AMRO aan de zakelijke en particuliere bankrelaties te beëindigen. Volgens de bank was sprake van aanhoudende integriteitsrisico’s die onvoldoende konden worden weggenomen.
De bank stelde onder meer dat zij door het ontbreken van verifieerbare contracten, transportdocumentatie en eindgebruikersverklaringen onvoldoende kon vaststellen welke goederen waren geleverd, aan wie en wat de uiteindelijke bestemming was.
Ook waren er volgens ABN AMRO transacties met partijen waarvan de activiteiten, de herkomst van het geld en de zakelijke achtergrond onvoldoende controleerbaar waren.
De bank besloot eveneens de relatie met de transportonderneming te beëindigen vanwege de nauwe juridische, organisatorische en financiële verwevenheid met de handelsmaatschappij.
Opvallende betalingen en transacties met bouwbedrijven
Tijdens het klantenonderzoek signaleerde ABN AMRO verschillende omstandigheden die volgens de bank wezen op mogelijke risico’s.
Zo deden de ondernemingen na de invoering van de sancties nog steeds veel zaken met landen van de voormalige Sovjet-Unie of met partijen die banden hadden met deze landen.
Daarnaast vonden veel transacties plaats met bouwbedrijven, voornamelijk in Duitsland en Turkije. Volgens de bank waren verschillende van deze bedrijven pas kort daarvoor opgericht, terwijl zij wel relatief grote bedragen konden overmaken.
Sommige bedrijven waren gevestigd op een woon- of postadres, hadden geen website of wisselden snel van bestuurder en bedrijfsactiviteiten. Ook kon niet altijd worden vastgesteld of de afnemers over de faciliteiten beschikten om de aangekochte hoeveelheden chemicaliën daadwerkelijk te verwerken.
Verder constateerde de bank onder meer gesplitste betalingen, samengevoegde facturen, betalingsachterstanden en betalingen vanuit andere landen dan waar de betreffende afnemers waren gevestigd.
Bij twee afnemers werd in de betalingsomschrijving bovendien verwezen naar een contract uit april 2024 tussen de handelsmaatschappij en haar voormalige Russische klant.
Transportbedrijf betwist risico op sanctieomzeiling
De ondernemingen en het echtpaar stapten naar de rechter om te voorkomen dat ABN AMRO hun bankrekeningen zou beëindigen.
Zij voerden aan dat er inmiddels nauwelijks nog transporten naar Rusland en Belarus plaatsvonden en dat zij nooit hadden meegewerkt aan omleidingsroutes via Turkije of andere landen om sancties te omzeilen.
Ook wezen zij erop dat TDI ten tijde van enkele door de bank als problematisch aangemerkte transacties nog niet onder de betreffende sancties viel.
Volgens de ondernemingen werden eindgebruikersverklaringen opgevraagd wanneer er een aannemelijk risico bestond dat gesanctioneerde goederen via een omweg alsnog in Rusland of Belarus terecht zouden komen.
Bij Europese klanten werd vooral gekeken naar de bedrijfsregistratie, de aanwezigheid van een bankrekening en de directievoering. De ondernemingen stelden bereid te zijn ook Europese afnemers om eindgebruikersverklaringen te vragen.
Rechter: onvoldoende aandacht voor risico’s van chemische stoffen
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de ondernemingen niet.
Volgens de rechtbank zijn er verschillende signalen dat de bedrijven zich onvoldoende bewust zijn van het risico dat zij, mogelijk zonder dat zelf te weten, kunnen meewerken aan het omzeilen van sancties.
De rechter wijst erop dat de handelsmaatschappij actief is in een branche met verhoogde risico’s, omdat de verhandelde chemicaliën ook voor militaire doeleinden kunnen worden gebruikt.
Ook vindt de rechtbank dat de ondernemingen te gemakkelijk aannemen dat het gevaar van doorlevering aan Rusland alleen bestaat bij klanten in landen die aan Rusland grenzen.
Dat de handelsmaatschappij bij Europese klanten tot dusver geen eindgebruikersverklaringen opvroeg, weegt daarbij mee.
Verder plaatst de rechter vraagtekens bij betalingen waarbij werd verwezen naar het contract met de voormalige Russische afnemer. De verklaring van het bedrijf dat buitenlandse klanten mogelijk oude administratieve sjablonen hadden hergebruikt, overtuigt de rechtbank niet.
Volgens de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de ondernemingen inmiddels controleerbaar beleid hebben ingevoerd om risico’s op sanctieomzeiling te beoordelen.
Ook is niet gebleken dat zij hun aanbod al uitvoeren om Europese klanten om eindgebruikersverklaringen te vragen en onvoldoende onderbouwde betalingen door derden te weigeren.
Geen bewijs van daadwerkelijke sanctieschending nodig
ABN AMRO stelde tijdens de procedure dat er al sancties waren overtreden. De ondernemingen bestreden dat.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het kort geding niet eenvoudig kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sancties zijn geschonden. Voor de beslissing over het beëindigen van de bankrelaties is dat volgens de rechtbank ook niet doorslaggevend.
Banken zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht onderzoek te doen naar hun klanten en de transacties die via hun rekeningen plaatsvinden.
Wanneer een bank het klantenonderzoek niet kan voltooien of de risico’s onvoldoende kan beheersen, kan zij op grond van die wet verplicht zijn de klantrelatie te beëindigen. Daarvoor hoeft niet eerst te zijn bewezen dat de klant betrokken is bij strafbare activiteiten.
Volgens de rechter bestaat tussen ABN AMRO en de ondernemingen een fundamenteel verschil in de beoordeling van de sanctierisico’s.
Daardoor kan de bank onvoldoende overzien of haar rekeningen worden gebruikt voor transacties waarbij sancties mogelijk worden omzeild.
De rechtbank acht het daarom voorlopig aannemelijk dat ABN AMRO op grond van de Wwft verplicht is de bankrelaties te beëindigen.
Ook privérekeningen mogen worden beëindigd
De ondernemingen en het echtpaar hadden de rechtbank gevraagd ABN AMRO te verbieden hun bankrekeningen op te zeggen. Subsidiair wilden zij dat de bankrelaties in ieder geval zouden worden voortgezet totdat in een bodemprocedure definitief over de opzegging zou zijn beslist.
Als laatste mogelijkheid vroegen zij om voortzetting van de bankrelaties tot ten minste 31 december 2026.
De rechtbank wijst alle vorderingen af. Daarmee mag ABN AMRO zowel de zakelijke rekeningen van de twee ondernemingen als de privérekeningen van het betrokken echtpaar beëindigen.
Ook mag de bank de gegevens van de betrokkenen gedurende vijf jaar opnemen in haar interne CAAML-registratie. Die registratie is bedoeld om te voorkomen dat opnieuw een bankrelatie wordt aangegaan zonder dat de eerder vastgestelde risico’s zorgvuldig zijn beoordeeld.
De ondernemingen en het echtpaar moeten gezamenlijk 2.101 euro aan proceskosten betalen, eventueel vermeerderd met aanvullende kosten en wettelijke rente.






