DEN HAAG – Een transportbedrijf blijft verantwoordelijk voor een arbeidsongeval waarbij een werknemer tijdens het lossen van natronloog ernstige brandwonden opliep. De Raad van State heeft in een vandaag, woensdag 16 september 2026, gepubliceerde uitspraak geoordeeld dat de werkgever onvoldoende had gezorgd voor het gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen. Dat de chauffeur bij een opdrachtgever werkte en daar de voorgeschreven veiligheidsmiddelen gebruikte, ontslaat het transportbedrijf niet van zijn eigen zorgplicht.
Het ongeval gebeurde op 2 september 2022. De werknemer had van zijn werkgever opdracht gekregen om natronloog te vervoeren en te lossen bij een opdrachtgever.
Tijdens het lossen kwam de bijtende stof vrij en werd de werknemer geraakt. Hij liep derdegraadsbrandwonden op in zijn gezicht en mond, hield blijvende schade aan zijn smaakpapillen over en zijn gebit raakte beschadigd. De werknemer lag drie nachten in het ziekenhuis.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde het transportbedrijf vervolgens een bestuurlijke boete op wegens overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De hoogte van de boete wordt in de gepubliceerde uitspraak niet vermeld.
Chauffeur droeg geen volgelaatsmasker
Centraal in de zaak stond de vraag of het transportbedrijf voldoende had gedaan om zijn werknemer tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen te beschermen.
Niet in geschil was dat bij werkzaamheden met natronloog een volgelaatsmasker moest worden gebruikt. Zo’n masker was ook aanwezig op de tankcontainer, maar de chauffeur droeg het niet tijdens het lossen.
Volgens het transportbedrijf hadden de chauffeurs de opdracht om de persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken die door de opdrachtgever werden voorgeschreven. Op het veiligheidsinformatiebord op de loslocatie stonden een chemisch bestendige overall en een veiligheidsbril vermeld. De chauffeur droeg deze ook.
Een volgelaatsmasker werd op het bord echter niet voorgeschreven, terwijl dat volgens het veiligheidsinformatieblad wel noodzakelijk was.
Werkgever had zelf risico’s moeten beoordelen
Volgens de Raad van State had het transportbedrijf zelf moeten inventariseren welke risico’s verbonden waren aan het werken met natronloog en welke persoonlijke beschermingsmiddelen daarvoor noodzakelijk waren.
Ook had de werkgever vooraf moeten controleren of de werkzaamheden bij de opdrachtgever veilig konden worden uitgevoerd en of daar de juiste veiligheidsvoorschriften werden gehanteerd.
De werkgever kan die verantwoordelijkheid volgens de hoogste bestuursrechter niet afwentelen op de opdrachtgever.
Na het ongeval werd het veiligheidsinformatiebord op de locatie aangepast, zodat daarop inmiddels wel een volgelaatsbescherming wordt voorgeschreven.
Mogelijk defect aan koppeling
Het transportbedrijf wees er in de procedure ook op dat het ongeval zou zijn veroorzaakt door een mogelijk defect verloopstuk in de installatie van de opdrachtgever. De opdrachtgever had volgens het bedrijf de aansprakelijkheid voor de letselschade volledig erkend.
Dat verandert volgens de Raad van State niets aan de overtreding van de werkgever. De boete heeft namelijk betrekking op het niet dragen van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.
“De oorzaak waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden, maakt het dragen van de juiste beschermingsmiddelen niet minder noodzakelijk”, stelt de Raad van State in de uitspraak.
Ook bleek dat werknemers destijds geen instructie hadden om niet te lossen wanneer bij een opdrachtgever met een los verloopstuk werd gewerkt. Die instructie is inmiddels wel ingevoerd.
Geen matiging van boete
Het transportbedrijf stelde verder dat de chauffeur over de benodigde certificaten en trainingen beschikte en dat er veiligheidsinstructies waren. Ook zou het ongeval buiten het zicht van de werkgever en onder toezicht van de opdrachtgever hebben plaatsgevonden.
Volgens de Raad van State is echter niet gebleken dat de werkgever zelf de risico’s van het werken met natronloog voldoende had geïnventariseerd en werknemers had opgedragen daarbij een volgelaatsmasker te gebruiken.
Daarom is sprake van een overtreding door het transportbedrijf en bestaat er volgens de Raad van State geen aanleiding om de boete te matigen.
Het hoger beroep van het transportbedrijf is ongegrond verklaard. Daarmee blijft de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam in stand.







