BRUSSEL – H.Essers heeft bij het Belgische Hof van Cassatie een zaak verloren over de beloning van een Roemeense vrachtwagenchauffeur die jarenlang internationaal transport uitvoerde. De chauffeur vorderde voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur ruim 200.000 euro aan achterstallig loon en vergoedingen. Het Hof verwerpt het cassatieberoep van H.Essers. De uitspraak dateert al van 2 maart 2026, maar is nu pas gepubliceerd.
De zaak is aangespannen tegen H.E. Transport Company nv en H.E. Internationaal Transport nv. Uit de bij het arrest gevoegde processtukken blijkt dat de Roemeense chauffeur op 27 april 2011 in dienst trad bij de Roemeense vennootschap S.C. H.E. S.R.L. Hij werkte tot en met 30 januari 2015 onafgebroken als vrachtwagenchauffeur in het internationale wegtransport.
Hoewel hij een Roemeense arbeidsovereenkomst had, stelde de chauffeur dat zijn gewone plaats van tewerkstelling in Genk lag en dat het werkgeversgezag feitelijk werd uitgeoefend door de Belgische ondernemingen.
Van november 2011 tot september 2013 verrichtte hij naast zijn chauffeurswerk ook werkzaamheden als stelplaatsmedewerker. Vanaf augustus 2012 ontving hij boven op zijn Roemeense dagvergoeding van 45 euro nog 5 euro voor garage- en kantoorwerk.
Ruim 200.000 euro gevorderd voor chauffeurswerk
De chauffeur begon in 2015 een juridische procedure in Roemenië over zijn werkzaamheden in België. Het hof van beroep in Bacau oordeelde in 2019 dat H.E. Transport Company en niet de Roemeense vennootschap zijn eigenlijke werkgever was. De Roemeense rechter verklaarde zich echter territoriaal onbevoegd om over de vordering tegen het Belgische bedrijf te oordelen. Een cassatieberoep daartegen werd in Roemenië in 2020 verworpen.
Daarna zette de chauffeur zijn strijd in België voort.
Voor zijn werkzaamheden als internationaal vrachtwagenchauffeur vanuit Genk tussen april 2011 en januari 2015 vorderde hij €179.379,12 bruto en €22.964,34 netto aan achterstallig loon en ARAB- en verblijfsvergoedingen. Daarmee kwam zijn vordering voor alleen het chauffeurswerk uit op ruim €202.000, exclusief rente.
Voor zijn werkzaamheden als stelplaatsmedewerker vorderde hij daarnaast €45.850,116 bruto aan achterstallig loon en €2.292,506 aan eindejaarspremies. Ook vroeg hij onder meer om correcte sociale aangiften en betaling van sociale bijdragen.
Arbeidshof stelde chauffeur in het gelijk op belangrijke punten
De zaak kwam uiteindelijk terecht bij het arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt. Dat hof vernietigde in juni 2023 een groot deel van eerdere uitspraken van de arbeidsrechtbank.
Het arbeidshof bepaalde onder meer dat de vorderingen van de chauffeur voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur en stelplaatsmedewerker niet waren verjaard. Ook oordeelde het hof dat de betrokken H.Essers-vennootschappen solidair gehouden waren voor de vorderingen op strafrechtelijke en contractuele grondslag.
Over de precieze berekening van het loon en enkele andere discussiepunten moest vervolgens nog verder worden geprocedeerd.
H.Essers ging tegen dat tussenarrest in cassatie.
Dagvergoeding mag niet meetellen als Belgisch minimumloon
Een van de belangrijkste geschilpunten bij het Hof van Cassatie was de Roemeense ‘per diem’ die de chauffeur ontving.
Volgens het arbeidshof is deze dagvergoeding naar Roemeens recht een forfaitaire kostenvergoeding. De vergoeding dient om extra uitgaven vanwege het verblijf in het buitenland te betalen, zoals voeding, vervoer en andere kleine kosten die met de buitenlandse tewerkstelling samenhangen.
Daarom is deze vergoeding volgens het arbeidshof geen loon: het bedrag vormt geen tegenprestatie voor de geleverde arbeid.
Het Hof van Cassatie bevestigt dat het arbeidshof op basis daarvan terecht heeft beslist dat de kostenvergoeding niet mag worden meegerekend bij de beoordeling of het Belgische minimumloon werd gerespecteerd.
Niet-betaling minimumlonen volgens arbeidshof bewuste keuze
Ook het verjaringsargument van H.Essers houdt bij het Hof van Cassatie geen stand.
Uit het arrest blijkt dat het arbeidshof had vastgesteld dat de chauffeur zijn loon en vergoedingen niet had ontvangen en dat de niet-betaling volgens dat hof een bewuste keuze van de betrokken ondernemingen was. Het arbeidshof oordeelde bovendien dat sprake was van een aangehouden, voortgezette wil om de sectoraal bepaalde minimumlonen en vergoedingen voor de transportactiviteiten van de chauffeur niet te betalen. Hetzelfde gold voor zijn werkzaamheden als stelplaatsmedewerker.
Het Hof van Cassatie oordeelt dat het arbeidshof daarmee zijn beslissing over de zogenoemde eenheid van opzet juridisch voldoende heeft verantwoord.
Cassatieberoep H.Essers verworpen
Het Hof van Cassatie verwerpt uiteindelijk het cassatieberoep. H.E. Transport Company en H.E. Internationaal Transport worden daarnaast veroordeeld tot de kosten van de cassatieprocedure.
Het arrest werd op 2 maart 2026 in Brussel uitgesproken door de derde kamer van het Hof van Cassatie. De uitspraak is echter pas nu gepubliceerd.






