ROTTERDAM – Een transporteur is niet aansprakelijk voor de schade die is ontstaan nadat twee ladingen cashewnoten in Frankrijk bij een oplichter terechtkwamen. Hoewel de vrachtwagens uiteindelijk op een ander adres losten dan op de vrachtbrieven stond vermeld, zijn de ladingen volgens de rechtbank Rotterdam correct afgeleverd. De handelaar die voor ruim 166.000 euro schadevergoeding eiste, krijgt daarom geen gelijk.
Dat blijkt uit een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2025, dat op 18 augustus 2026 is gepubliceerd. De zaak valt onder het CMR-verdrag voor internationaal goederenvervoer over de weg.
De zaak begon in mei 2023. Een onderneming die onder meer handelt in noten werd per e-mail benaderd door een partij die zich voordeed als onderdeel van een grote Franse supermarktketen. Er kwamen twee koopovereenkomsten tot stand voor de levering van cashewnoten in Frankrijk.
Voor het vervoer werd een logistiek dienstverlener ingeschakeld, die de ritten vervolgens uitbesteedde aan een internationaal wegvervoerder.
Chauffeur naar ander magazijn gestuurd
De eerste lading werd op 6 juni 2023 vervoerd. De chauffeur reed naar het afleveradres dat door de planning was doorgegeven en ook op de CMR-vrachtbrief stond.
Daar aangekomen vertelde een man hem dat hij bij een ander magazijn om de hoek moest lossen. De man liep voor de vrachtwagen uit en wees de chauffeur de weg. Bij het andere gebouw werden vervolgens dertien pallets met cashewnoten gelost. De CMR-vrachtbrief werd daar voorzien van een handtekening en stempel.
Op 19 juni volgde een tweede lading. Ook deze chauffeur meldde zich volgens zijn verklaring eerst op het opgegeven adres. Een medewerker vertelde hem dat hij bij een aangrenzend gebouw moest lossen. Een man met een veiligheidshesje wees vervolgens de weg.
Daar werden achttien pallets gelost. In de loods waren meerdere mensen aan het werk en stonden ook andere goederen. De chauffeur meldde via zijn boordcomputer aan de planning dat hij op een ander adres had moeten lossen. Volgens zijn verklaring was de opdrachtgever daarvan op de hoogte gebracht en akkoord. Ook deze vrachtbrief werd afgestempeld en ondertekend.
‘Koper’ blijkt oplichter
Pas eind augustus 2023, toen betaling voor de cashewnoten uitbleef, kwam aan het licht dat de vermeende koper helemaal niet het echte bedrijf was. Een oplichter had de naam van de onderneming misbruikt en was er met de geleverde cashewnoten vandoor gegaan zonder daarvoor te betalen.
De verkoper stelde vervolgens de wegvervoerder aansprakelijk.
Volgens het bedrijf waren de ladingen niet op het afgesproken afleveradres gelost en hadden de chauffeurs eerst om nieuwe instructies moeten vragen voordat zij naar een andere loslocatie reden.
De onderneming eiste een schadevergoeding van 166.666,84 euro, vermeerderd met CMR-rente en kosten.
Vervoerder was opvolgend vervoerder
De rechtbank stelt eerst vast dat de aangesproken onderneming inderdaad als opvolgend vervoerder in de zin van het CMR-verdrag moet worden beschouwd. De goederen en vrachtbrieven waren door de vervoerder in ontvangst genomen en het vervoer viel onder één vervoerovereenkomst.
Dat betekent echter niet dat de vervoerder ook aansprakelijk is voor de verdwenen cashewnoten.
Volgens de rechtbank is voor een correcte aflevering onder de CMR niet vereist dat goederen fysiek worden gelost op precies het adres dat op de vrachtbrief staat.
De chauffeurs mochten zich, nadat zij op de plaats van bestemming waren aangekomen, richten naar de instructies van de geadresseerde die aangaf de ladingen in ontvangst te willen nemen. Zij hoefden volgens de rechtbank op dat moment niet eerst nieuwe instructies bij de afzender op te vragen.
Geen verdachte omstandigheden voor chauffeurs
Uit de verklaringen van de chauffeurs blijkt volgens de rechtbank bovendien voldoende duidelijk hoe de afleveringen zijn verlopen. Er waren volgens de rechter geen bijzondere omstandigheden waaruit de chauffeurs hadden moeten afleiden dat zij anders moesten handelen.
Daarbij weegt mee dat de vrachtbrieven voor ontvangst werden afgetekend. Een eventueel nader onderzoek door de chauffeurs naar de identiteit van de geadresseerde zou volgens de rechtbank in deze zaak bovendien geen verschil hebben gemaakt.
Ook artikel 15 van het CMR-verdrag, waarin onder meer het vragen van instructies bij belemmeringen tijdens de aflevering is geregeld, bood de handelaar geen uitkomst. Er was volgens de rechtbank geen sprake van omstandigheden die aflevering onmogelijk maakten. De geadresseerde wilde de goederen immers in ontvangst nemen.
Verlies komt niet voor rekening vervoerder
De rechtbank concludeert daarom dat de vervoerder de beide ladingen correct heeft afgeleverd.
Dat de handelaar hierdoor de grip op de nog niet betaalde ladingen verloor en ruim twee maanden later ontdekte dat sprake was van fraude, komt volgens de rechtbank niet voor rekening van de wegvervoerder. De volledige schadeclaim wordt daarom afgewezen.
De handelaar moet daarnaast 10.653 euro aan proceskosten van de vervoerder betalen.






