DEN HAAG – De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft terecht de bestuurderskaart van een transportondernemer ingetrokken nadat was vastgesteld dat een werknemer met diens bestuurderskaart had gereden. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld. De hoogste bestuursrechter bevestigt daarmee een eerdere uitspraak van de rechtbank Overijssel.
De zaak kwam aan het rollen na een controle van de rij- en rusttijden van een werknemer van het transportbedrijf in oktober 2023. Uit tachograafgegevens bleek dat op 3 en 6 oktober 2023 een snelle wissel had plaatsgevonden tussen de bestuurderskaart van de ondernemer en die van zijn werknemer.
Werknemer reed op kaart van werkgever
Volgens het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport werd op 3 oktober om 00.07 uur de bestuurderskaart van de ondernemer uit de digitale tachograaf gehaald en vervangen door die van de werknemer, waarna de landcode werd gewijzigd naar Duitsland. De werknemer reed vervolgens op 4, 5 en 6 oktober in Duitsland.
Op 6 oktober vond na een rit van 9 uur en 4 minuten opnieuw een kaartwissel plaats. Daarbij werd de kaart van de werknemer verwijderd, de kaart van de ondernemer ingevoerd en de landcode gewijzigd naar Nederland. Daarna werd nog 53 minuten en 63 kilometer gereden.
De werknemer verklaarde tijdens de controle dat hij het laatste deel van de rit op de bestuurderskaart van zijn werkgever had gereden omdat hij zijn maximale rijtijd bijna had bereikt en graag op vrijdagavond naar huis wilde voor zijn vrije weekend.
Verklaring later gewijzigd
Later kwam de werknemer terug op die verklaring. Hij stelde dat hij onderweg door zijn werkgever was afgelost en door een derde persoon naar huis was gebracht. Zowel de rechtbank als de Raad van State hechten echter meer waarde aan zijn eerste, gedetailleerde verklaring tegenover de toezichthouders.
Volgens de Raad van State heeft de ondernemer onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verbalisanten het boeterapport onjuist of valselijk hebben opgesteld. Ook een nieuwe verklaring van de werknemer uit juli 2026 bracht daar geen verandering in.
Intrekking terecht
De ondernemer voerde onder meer aan dat de minister de bestuurderskaart niet had mogen intrekken en dat de controle onzorgvuldig was uitgevoerd. De Raad van State volgt die argumenten niet.
Volgens de hoogste bestuursrechter mocht de minister de bestuurderskaart intrekken om te voorkomen dat deze opnieuw door anderen zou worden gebruikt. Daarbij speelde volgens de uitspraak ook mee dat de ondernemer weinig meewerkte aan het onderzoek.
Met de uitspraak is de intrekking van de bestuurderskaart definitief in stand gebleven.







